Inheemse vruchten 1
Aardbeien

Aardbei (Fragaria) is een geslacht van bloeiende planten uit de rozenfamilie (Rosaceae), vooral bekend om zijn eetbare vruchten. Botanisch gezien is de aardbei een schijnvrucht. Er zijn meer dan twintig soorten en van de geteelde aardbei zijn er vele honderden variëteiten.
In de bronstijd werd de aardbei al door mensen gegeten, maar pas vanaf de 14de eeuw werden aardbeiplanten vanuit het wild in tuinen aangeplant. In die tijd werden ze vooral gebruikt als sierplant en voor medicinaal gebruik. De vrucht was klein en de planten waren niet erg productief. De aardbei zoals wij die kennen, is ongeveer 200 jaar oud.

Soorten:

- Wilde of bosaardbei. Let op: deze aardbeitjes bederven zeer snel. Ze hebben een sterke en aangename smaak.
- Gorella, Elsanta en Darselect zijn soorten die massaal gekweekt worden.
- Mara is een zeer smakelijke Franse soort, maar die verdraagt geen transport. Ze heeft de smaak van bosaardbeien.
- Gariguette is een vroege ingevoerde Franse soort. Als primeur zeer bekend, maar duur. 

De eerste ingevoerde aardbeien uit Spanje verdragen wel goed het transport, maar zijn hard en smaakloos

Abrikozen

De abrikoos (Prunus armeniaca) is een populaire steenvrucht. Ze stamt uit Noordoost-China tegen de Russische grens en dus niet uit Armenië, wat uit de soortaanduiding zou zijn af te leiden.
Het traditionele teeltgebied is het Hongaarse laagland. Tegenwoordig worden abrikozen vooral in Italië en Spanje geteeld. Ook meer noordelijk zoals in het Oostenrijkse Wachau (Oostenrijk) en het Zwitserse kanton Wallis worden abrikozen geteeld. Turkije produceert 85% van de wereldproductie van gedroogde abrikozen en abrikozenpitten.
Abrikozen kunnen lange tijd bewaard worden door ze te drogen. Ook kunnen ze worden ingelegd in brandewijn. De bekomen drank wordt dan "boerenmeisjes" genoemd. Ook worden abrikozen veel gebruikt om in te blikken. Dan dienen ze voor de bereiding van taarten en afdekgelei..
De pitten bevatten het giftige blauwzuur.
Er bestaan diverse variëteiten, maar voor keukengebruik heeft dit niet zo veel belang. Trouwens, de keuze op de markt is vrij beperkt.

Appels

De appel behoort zoals zoveel andere fruitsoorten tot de rozenfamilie. Het is een van de meest wijdverbreide vruchten over de hele wereld. De appel is waarschijnlijk afkomstig uit het zuidwesten van China. Tijdens zijn verspreiding over de wereld heeft hij spontaan kruisingen aangegaan met appels uit het Kaukasusgebergte.
Op dit ogenblik wordt er geschat dat er een 20.000 tal soorten appels bestaan. Omdat ze zowel op het noordelijk als het zuidelijk halfrond gekweekt worden, hebben we het hele jaar beschikking over verse appels. Daarbij komt nog het voordeel dat ze lang kunnen bewaard worden.
Appels zijn gezonde vruchten, daar is iedereen het over eens. Zegt het Engelse spreekwoord niet: 'an apple a day keeps the doctor away'?
Appels zijn nog niet ideaal om te eten onmiddellijk na de pluk. Ze moeten nog wat narijpen. Dit wil zeggen dat men moet wachten tot al het in de vrucht opgeslagen zetmeel zich omgezet heeft tot suiker. De opslag heeft grote invloed op dit proces. Bij een luchtvochtigheid van 90 tot 95 procent en bij een temperatuur van 0 tot 5°C blijven appels maandenlang goed, zelfs tot de volgende oogst.
Appels scheiden bij kamertemperatuur ethyleengas af, een gas dat andere vruchten aanzet tot sneller rijpen. Daarom is het aan te raden appels apart te bewaren. Als men bijvoorbeeld avocado's wil doen rijpen, stopt men deze met een appel in een plastic zak. De avocado wordt vlugger rijp!
Appels worden ingedeeld in twee soorten: eetappels en moesappels. Op dit ogenblik is het moeilijk om nog een goede moesappel te vinden in de kleinhandel. Geschikte soorten zijn: renet, James Grieve en Belle de Boskoop...
De meeste verhandelde soorten zijn eetappels. Deze blijven heel, ook als ze gekookt worden.

Soorten:
Canadarenet:
uit Frankrijk afkomstige appel. Stevig vruchtvlees, niet erg sappig, zacht zure smaak.

Cox orange
: voortreffelijke kruidige herfstappel. Sappig vruchtvlees, aangenaam zurig, sappig en aromatisch.

Elstar
: kruising van golden delicious en Ingrid Marie. Handappel, met aangename zuur zoet verhouding, aromatisch.
Tamelijk kleine appel.

Gloster
: kruising uit glockenappel en red delicious. Bewaarappel met mild, compact vruchtvlees, niet al te zuur.

Golden delicious
: belangrijke appel in Europa. Bewaarappel, eerst knapperig, dan wat zachter, zoet en aromatisch.

Granny Smith
: mutatie uit Australië, veel in Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika verbouwd. Stevig vruchtvlees, sappig en zurig.

Idared
: kruising uit de VS van Jonathan en Wagenerappel. In Europa veel verbouwde bewaarappel; sappig, fris zuur.

James Grieve: sappig, zoet en aromatisch. Vroege appel met aangename zuurheid, oorspronkelijk uit Schotland.
Geschikt om moes van te maken.

Jonagold:
kruising uit de VS van golden delicious en jonathan. Goede handappel, sappig en zoet, prettige zuurheid.
Meest geteelde appel in België.

Jonathan
: mutatie uit Woodstock. Bewaarsoort die in de herfst rijp is. Sappig en zoet, aangenaam zurige smaak.

Mutsu
: een zeer productieve geelgekleurde bewaarappel. Grote tot zeer grote vruchten, grof en bonkig, nogal geribd rond de neus. Het vruchtvlees is stevig wit met een smaak die aan meloen doet denken.

Rode boskoop
: rode variant van de goudrenet, eveneens een bewaarappel met een prettige zurige smaak.

Royal gala
: spontane mutatie van de Nieuw-Zeelandse gala. Zoet, sappig en aromatisch, maar wordt snel melig.

Schone van Boskoop
: of goudrenet. Bewaarappel met een fruitige, krachtige, zure smaak. Ideaal voor compotes en andere keukenbereidingen. Komt oorspronkelijk uit de Nederlandse gemeente Boskoop in Zuid-Holland.

Winter Calville
: oude Franse soort. Ruikt aardbeiachtig, zoete smaak, prettige zuurheid. Bevat veel vitamine C.
Wordt niet veel meer gekweekt.

Moesappelen
: met moesappelen wordt bedoeld; appels die bij het koken spontaan tot moes uit mekaar vallen. Renet, Schone van Boskoop, James grieve,…

Eetappels of handappels
zijn appelen die bij het koken juist niet uit mekaar vallen. Ze zijn geschikt om uit het vuistje te eten en te verwerken tot taarten en andere bereidingen waar de appel niet tot moes mag koken.

Bessen

Aalbessen

Bij deze groep rekenen we de:
De rode bes.
de witte bes
De zwarte bes.

De rode bessen worden in de keuken gebruikt als decoratief element of als een onderdeel van fruitsalades en in sommige gerechten uit de Scandinavische keukens. Uitzonderlijk als decoratief element in een salade.
Als gelei of confituur worden rode bessen dikwijls verwerkt tot viervruchtenconfituur samen met aardbeien, krieken en frambozen.
Er bestaan ook variëteiten die zo weinig kleur hebben dat ze slechts roze gekleurd zijn.
De witte aalbes is een andere variëteit die soms aangeboden wordt. De smaak is ongeveer dezelfde als die van de rode bes.
De zwarte bes, die cassis in het Frans genoemd wordt, ziet men niet zo veel meer. Er wordt ook weinig gebruik van gemaakt als tafelfruit. Veelal worden de bessen verwerkt tot cassissiroop of cassislikeur.
De "kir" is een zeer bekend aperitief uit de Bourgognestreek. Eén deel cassislikeur gemengd met vier delen witte bourgogne aligoté.

Kruisbessen

De kruisbes, ook wel klapbes genoemd, behoort evenals de aalbes, de alpenbes en de zwarte bes tot de ribesfamilie. De kruisbes groeit aan een stekelige struik.
Deze vrij zure bes werd vroeger in Engeland gegeten bij vette vis zoals makreel.
De Fransen noemen deze kruisbes daarom nog steeds 'groseille à maqureau'. De Engelsen spreken van "gooseberries".
In België worden ze vooral gebruikt als vulling voor taarten en als basis voor confituur.
Er bestaan diverse variëteiten van al deze bessen, maar ze komen slechts zeldzaam op de markt.

Druiven

De druif is de vrucht van de wijnstok (Vitis vinifera).
De druif wordt gekweekt met meerdere doeleinden:
Als fruit, om te eten als versnapering.
Als basis voor het maken van wijn of druivensap.
Productie van rozijnen.
Productie van druivenpitolie uit de pitten.

Om als fruit geteeld te worden, is het noodzakelijk dat de vruchten groot en sappig zijn en vooral een zoete smaak hebben. Er zijn tientallen cultivars, die als tafelfruit in aanmerking komen. Hiervoor worden zowel witte als blauwe druiven gekweekt.
De trossen moeten reeds vroeg in hun ontwikkeling geselecteerd worden op basis van hun standplaats en hun omvang. Een van de belangrijkste bewerkingen om mooie, volle trossen te ontwikkelen, is het 'krenten' van de druiven. Deze behandeling bestaat er in alle overtollige druiven uit de tros weg te knippen met een speciaal daarvoor ontwikkeld, scherpgepunt schaartje, waarmee men de niet bevruchte en de slecht geplaatste druifjes elimineert. Doet men dit niet, dan krijgt men vruchten die enerzijds klein blijven, en die anderzijds zeer onregelmatig kleuren. Het is van het grootste belang dat de druiven gelijkmatig en gelijktijdig afrijpen, zodat de pluk in één keer kan gebeuren.
Alle soorten druiven kunnen gebruikt worden om er rozijnen van te maken maar er bestaan wel speciale variëteiten voor.
De meeste druiven komen uit landen en gebieden met een mild tot mediterraan klimaat, bijvoorbeeld de landen in het Middellandse Zeegebied zoals Spanje, Frankrijk, Italië, Griekenland en Turkije. Bepaalde streken in Duitsland zoals langs de Rijn en de Moezel lenen zich ook goed voor de druiventeelt doordat de temperatuur op de zuidelijke rivierhellingen altijd een paar graden hoger is dan in de gebieden daarbuiten. Druiven worden ook gekweekt in Vlaanderen in druivendorpen als Hoeilaart en Overijse in Vlaams-Brabant. De overgebleven druivenserres behoren tot het cultureel erfgoed van deze gemeente.
In België kan een aantal rassen worden geteeld in een broeikas of serre. Deze rassen zijn onder meer: Frankenthaler, Black Alicante, Gros Maroc, Leopold III, Royal en Emile Royal.

Frambozen en braambessen

De framboos behoort evenals de gewone braam tot het geslacht Rubus. Tot dit geslacht behoren meer dan zeshonderd soorten.
De framboos is een in heel Europa in het wild voorkomende plant, die op open plaatsen in het bos en langs bosranden voorkomt. De framboos is als voedsel al sinds de vroegste tijden in gebruik. De cultuur gaat terug tot de middeleeuwen.
De framboos bestaat uit vele vruchtjes en is een verzamelsteenvrucht. In tegenstelling tot de braam laat de framboos makkelijk los van de bloembodem. De meeste rassen dragen rode vruchten. Er bestaan echter ook enkele rassen met gele vruchten.
Binnen het geslacht Rubus zijn vele soortkruisingen uitgevoerd. De meeste hybriden zijn voor de beroepsteelt niet belangrijk en komen daarom ook maar sporadisch op de markt, zoals de loganbes en de taybes. Beide zijn kruisingen tussen de framboos en de braam.

 
Kersen, krieken

De kers is een populaire vrucht: ze is klein, bolvormig en bevat een harde pit. Technisch gezien is het een steenvrucht.
Over de geschiedenis van de kers is vrijwel niets bekend. Kersen worden verdeeld in twee verschillende botanische soorten:
De zoete kers (Prunus avium).
De zure kers  (Prunus cerasus).
In België wordt de zoete kers gewoon kers genoemd, en de zure kers kriek.
Helemaal vast staat deze herkomst zeker niet. De zoete kers wordt voornamelijk vers geconsumeerd en de zure kers wordt voor de industriële verwerking gebruikt in confituur en als taartvulling. Ook gekend voor de bierbereiding, het 'kriekbier'.
Krieken worden ook opgelegd in jenever. Vroeger was dit een zeer populaire gewoonte.

Soorten: Er kan een onderscheid worden gemaakt volgens de kleur van de vruchten. De kleur kan variëren van zuiver geel tot zwartrood, met alle denkbare schakeringen daartussen. Rassen met gele tot roodgele vruchten zijn vrijwel van het toneel verdwenen omdat deze er optisch minder aantrekkelijk uitzien en daardoor niet worden gevraagd. Deze zijn ook iets minder sappig. Daarom vinden we in de commerciële teelt alleen rassen met rode tot zwartrode vruchten.
Bigarreau Napoleon (ofwel Rouaan) rijpt laat. Grote bont gekleurde geelrode (soms bijna rode) kersen. Stevig vruchtvlees met goede smaak indien volledig rijp. Wordt bijna niet meer gekweekt.
Hedelfinger Riesenkirsche: rijpt laat. Grote roodbruine, smakelijke vruchten.


Meloenen

De suikermeloen of zoete meloen (Cucumis melo) is al duizenden jaren bekend in India en Egypte. Bij de Grieken en de Romeinen kende men de meloen al. In de 15de eeuw bracht Karel VIII de meloen uit Italië mee naar Frankrijk.
Meloen bevat uitzonderlijk veel caroteen: 0,1 tot 2,5 mg per 100 g. Hoe feller de oranje kleur, hoe meer caroteen de meloen bevat. Meloen is moeilijk verteerbaar en heeft een zeker laxerend effect.
Meloen is een oud cultuurgewas waarin in de loop van de tijd veel is veredeld. Hierdoor is er een grote variatie ontstaan en is het niet makkelijk om de rassen in te delen naar type.
Er worden vier meloentypen onderscheiden:

Cantaloupmeloenen
De naam is afgeleid van Canteloupe, een gehuchtje in de buurt van Rome, waar deze meloenen in de tuin van de paus werden geteeld. Ze zijn rond of iets afgeplat van vorm en zijn aan de buitenkant verdeeld in segmenten of bedekt met wratachtige knobbels. Het bekendste ras uit deze categorie is de charentaismeloen. De naam "cavaillon" werd aan deze meloen gegeven omdat de teelt van deze meloen in de 19de eeuw geconcentreerd was rond het stadje Cavaillon in Frankrijk (Rhône).

Ogenmeloen
De ogenmeloen is genoemd naar een kibboets in Israël, genaamd 'Ogen', waar deze meloen voor het eerst werd geteeld. Het is een kruising tussen een meloen van het kanteloeptype en een netmeloen. De vrucht is bijna bolvormig. De schil is glad, oranjegeel en heeft een lichte segmentverdeling met groene strepen tussen de segmenten. Het vruchtvlees is crèmekleurig tot lichtgroen,
sappig, aromatisch en ruikt bij rijpe exemplaren zeer sterk.

Netmeloenen
Zijn meloenen met een kurkachtig lichtbruin of wit netwerk op de schil. De schil zelf is glad of gesegmenteerd. De galiameloen is van dit type, heeft smaragdgroen vruchtvlees en komt oorspronkelijk uit Israël.

Gladde meloenen
Zoals honing- of suikermeloen. Dit type moet lang rijpen en wordt vooral in de winter aangevoerd. De Honeydew en de Amarillo liso uit Spanje zijn de bekendste.

Watermeloen
De watermeloen is een andere soort dan de gewone, hierboven beschreven meloenen. De watermeloen is een vrucht met waterig, zoet vruchtvlees. In het vruchtvlees, dat meestal rood is, maar ook wit, roze, geel of oranje van kleur kan zijn, zitten de pitten verspreid. Er bestaan zowel bolvormige als langgerekte watermeloenen. Watermeloen is rijk aan vocht. Men kan zijn dorts lessen met watermeloen.
De watermeloen is waarschijnlijk afkomstig uit tropisch Afrika en Egypte. De watermeloen was reeds in China bekend vóór de christelijke kalender, sommigen zeggen 1.000 jaar, anderen 4.000 jaar vóór Christus.
Watermeloenen, afkomstig uit Middellandse Zeelanden, zijn donkergroen van kleur en hebben een gewicht van circa 2,5 kg. Bekend zijn de watermeloenen uit Adana in Turkije, waarvan het vruchtvlees roze tot dieprood is en zeer sappig en zoet van smaak, mede door de hoge vruchtbaarheid van de grond in deze streek. De zwarte pitten van de watermeloen bevinden zich niet in een holte zoals bij de andere meloenen, maar liggen ingebed in het vruchtvlees. Er zijn ook pitloze rassen. Uit Amerika worden langgerekte watermeloenen aangevoerd met een gestreepte schil. Er bestaan ook rassen met geel vruchtvlees. Watermeloenen bestaan voor 95% uit water. Het dorstlessende vermogen is het grootst als de vrucht gekoeld en puur wordt gegeten.